Antwoord: |
||
|---|---|---|
|
Door: Ellen de Koster-van Dam
|
Datum:
Donderdag
28
mei
2026,
11:00 uur
heb hier een fraaie De grote van de weerstand hangt af van de stroomsterkte en spanning.Als de grote vierkant dezelfde stroomsterkte en spanning heeft als de kleine weerstand dan zijn de weerstand ook dezelfde. getuigd van inzicht maar helaas geen punten. |
||
|
Door: Frank van Rhijn
|
Datum:
Donderdag
28
mei
2026,
11:49 uur
@Ellen inderdaad. formules zijn niet gebruikt dus voldoet het antwoord niet aan de vraag. 0p |
||
|
Door: Sander de Boer
|
Datum:
Donderdag
28
mei
2026,
17:29 uur
Volgens de notulen: kan niet met een getallen voorbeeld. Maar ze hebben wel de rekenregels van serie en van parallel toegepast.
|
||
|
Door: Gerrit Zwaan
|
Datum:
Donderdag
28
mei
2026,
20:03 uur
(Bewerkt op: 28-05-2026 20:21)
In de notulen staat: – Kan niet met een getallenvoorbeeld; syllabus: Aantonen dat... “In het algemeen geldt dat het gestelde controleren door middel van een of meer voorbeelden niet voldoet”. Gaat de woordjes "in het algemeen" hier wel op? Ik kan me voorstellen dat ze hier doelen op een formule waarvan je moet bewijzen dat die in het algemeen voldoet. In dat geval is het invullen van getallenvoorbeelden niet voldoende om aan te tonen dat de formule klopt omdat de waardes van de grootheden in de formule niet afhankelijk van elkaar hoeven te zijn. Voorbeeld: Leerling moet aantonen dat R=U/I geldt bij een set gegeven meetwaardes. In dit geval is het invullen van een paar voorbeelden niet voldoende om tot de conclusie te komen dat dit in het algemeen geldt. Volgens mij slaat de opmerking van de syllabus op zo'n geval. ECHTER In dit geval zijn alle waarden voor R gelijk. Dat is in de vraag gegeven. Dan is het invullen van 1 voorbeeld waarbij de waarde van R gelijk is (behalve 0) echt een prima manier om aan te tonen dat dit in het algemeen geldt. Sterker nog, dan moet het in het algemeen gelden vanuit de vraagstelling. Ik zou de opmerking in de syllabus zo interpreteren dat die bij deze vraag niet van toepassing is. |
||
|
Door: Dennis van Straalen
|
Datum:
Donderdag
28
mei
2026,
21:46 uur
Het uitrekenen met het invullen van getallen kost dus bol 3. |
||
|
Door: Wouter Vernhout
|
Datum:
Vrijdag
29
mei
2026,
11:51 uur
(Bewerkt op: 29-05-2026 11:51)
Ik vind dat de aantekening in de landelijke bespreking over een getallenvoorbeeld voorbijgaat aan de strekking van de vraag. In een getallenvoorbeeld-berekening waarbij leerling (1/3R) + (1/3R) + (1/3R) = (1/Rtot) gebruikt met een constante waarde voor R, zal altijd blijken dat R = Rtot, welke waarde je ook invult. Daarmee is dat wat aangetoond moet worden aangetoond. |
||
|
Door: Flora le Roy
|
Datum:
Zaterdag
30
mei
2026,
22:25 uur
Ik vraag me af of de examenmakers net zo'n strenge opvatting hebben over aantonen met getallenvoorbeelden als de NVON kring. De vraag is immers zelf een voorbeeld van iets aantonen met een getallenvoorbeeld. Als ze werkelijk een algemeen bewijs hadden willen zien hadden ze gekozen voor een schakeling van N bij N weerstanden in plaats van 3 bij 3. |
||
|
Door: Bart Grendelman
|
Datum:
Zondag
31
mei
2026,
21:39 uur
Ik interpreteer het ook zo dat deze regel nu niet opgaat, omdat we het in de opgave ook al over een specifiek voorbeeld hebben. Of je nou 5 invult of R. De uitkomst is hetzelfde. |
||
|
Door: Geert van Schepen
|
Datum:
Zondag
31
mei
2026,
22:29 uur
Omdat het waar blijkt te zijn dat R = Rtot kan je wel zeggen dat het niet uitmaakt wat je invult voor R, maar de opgave / situatie had anders kunnen zijn waarbij dit voor sommige getallen wel uitkomt en voor andere niet. Je kan niet na de conclusie de boel versoepelen en stellen dat het niet uitmaakt wat je voor R invult. |
||
|
Door: Ekaterina Reijnen
|
Datum:
Maandag
8
juni
2026,
14:13 uur
Mijn leerling rekent ook met een concreet voorbeeld. Stel dat iedere weerstand een waarde heeft van R= 2 ohm. Bij de serieschakeling geldt dan: R_tot= 2 + 2 + 2 = 6 Omega Vervolgens wordt deze serieschakeling parallel geschakeld: 1/R_tot= 1/6 + 1/6+1/6 = 1/2, oftewel R_tot =2 ohm De leerling heeft hier een concrete waarde gekozen, maar de redenering is correct en zou voor elke gekozen waarde van (R) tot dezelfde conclusie leiden. De berekening bewijst dus feitelijk dat R_tot = R. Ik begrijp de NVON-bespreking dat de leerling idealiter tot een algemene formule moet komen en algebraïsch moet aantonen dat R_tot = R. Toch blijft voor mij de vraag waarom hier puntenaftrek gerechtvaardigd zou zijn. Volgens het correctievoorschrift heeft de leerling namelijk: Volgens het correctievoorschrift heeft de leerling namelijk:
De enige afwijking is dat de leerling een concrete waarde voor R heeft gekozen in plaats van direct met een algemene variabele te rekenen. Mijn vraag is daarom: als alle natuurkundige principes correct zijn toegepast en de conclusie algemeen geldig is, waarom zou hiervoor dan een punt moeten worden afgetrokken? Graag hoor ik hier een toelichting op. Voor mij is dit een interessant en leerzaam punt, juist omdat dezelfde beoordelingsvraag ook bij andere opgaven kan spelen. |
||