Werk blad leergedrag

4 Havo Werkblad Practicum Klassieke conditionering
(uit: Biologie Overal H7)

 

Doel:
In deze les leer je de verschillen tussen klassiek (volgens Pavlov) en operationeel conditioneren (volgens Skinner).
Je oefent het schrijven van een deelverslag. Het deelverslag schrijf je op de opdrachtvellen.
Aan het eind van de les lever je de opdrachtvellen in

 

Benodigdheden:
Een groot pipet (plastic) of rietje, een kleine zaklantaarn, grafiekpapier

Als inleiding op dit practicum kan een videofragment vertoond worden over het werk van Skinner (Skinnerbox) en Pavlov (conditionering).Lees eerst de werkwijze door en maak daarna eerst opdracht 1)

Werkwijze:

  1. Ga tegenover elkaar zitten.
  2. Schijn kort met een kleine zaklantaarn in de ogen van de proefpersoon. Schrijf in tabel 1 of de proefpersoon met de ogen knipperde. De proefpersoon moet het knipperen niet tegen houden!)
  3. Blaas direct daarna met het pipet of rietje voorzichtig in de ogen van de proefpersoon. Dit geeft meestal een oogknipreflex. Als dat niet lukt, moet worden geëxperimenteerd met andere "blaasatributen".
  4. Wacht even en herhaal punt 2. Schrijf op of het licht van de zaklantaarn een oogknipreflex veroorzaakt.
  5. Wacht even en blaas weer voorzichtig met rietje of pipet in de ogen van de proefpersoon (herhaling punt 3)
  6. Herhaal punt 2 en 3 in totaal 40 maal. Zet steeds in tabel 1of de proefpersoon met de ogen knipperde bij het zien van het lampje (onder punt 2).

Resultaat verwerken:
Bereken het percentage oogknipbewegingen die veroorzaakt werden door de zaklamp van de eerste vijf waarnemingen.
Doe hetzelfde bij de waarneming 6-10, 11-15, 16-20...36-40 (dus per 5 waarnemingen).
Zet de percentages in tabel 1. Maak van deze gegevens een staafdiagram (Fig.1).
Maak hierna opdracht 2 t/m 4

Tabel 1 :
Zet achter de waarneming ja (wel oogknipreflex) of nee (geen oogknipreflex).
Bereken de percentages per 5 waarnemingen en zet die in de onderste rij.

 

Waarneming bij punt 2:
Wel of Geen oogknipreflex
1 6 11 16 21 26 31 36
2 7 12 17 22 27 32 37
3 8 13 18 23 28 33 38
4 9 14 19 24 29 34 39
5 10 15 20 25 30 35 40
Percentage "ja" per 5 waarnemingen                

Opdrachten:
De opdrachten 1 t/m 4 zijn een hulp bij het schrijven van een verslag (bijvoorbeeld voor het schoolonderzoek).

Een wetenschappelijk verslag bestaat uit:

  • Titel
  • Inleiding met vraagstelling.
  • Hypothese
  • Materiaal en werkwijze
  • Resultaten
  • Conclusie
  • Discussie
  • Literatuur
  • In de "Inleiding" moet een "Vraagstelling" staan. Een "Vraagstelling" is bijvoorbeeld: "Zijn lieveheersbeestjes met veel stippen ouder dan lieveheersbeestjes met weinig stippen?"
  • In de "Hypothese" geef je een mogelijk antwoord op jou "Vraagstelling". Dat doe je voordat je het experiment gaat doen. Daarom heet een hypothese ook wel vooronderstelling. Een hypothese bij bovenstaande vraagstelling is bijvoorbeeld: "Ik denk dat lieveheersbeestjes met veel stippen ouder zijn dan lieveheersbeestjes met weinig stippen".
  • In het onderdeel "Materiaal en werkwijze" geef je aan hoe je te werk gaat. Je bepaalt ook wat "veel" en "weinig" stippen zijn. Dat doe je bijvoorbeeld door boekjes over lieveheersbeestjes te lezen of door naar lieveheersbeestjes te kijken.
  • "Resultaten" zijn waarnemingen en metingen die je opgeschreven hebt. Bijvoorbeeld: leeftijd en aantal stippen van een lieveheersbeestje. Resultaten geef je weer op een manier dat ze gemakkelijk te lezen zijn: bijvoorbeeld als tabel, grafiek of diagram.
  • Bij "Conclusie" geef je aan of je hypothese klopte of niet. Je mag je hypothese nooit achteraf aanpassen!
    In de "Discussie" geef je aan hoe het kan dat je hypothese niet klopte of je geeft kritiek op je "materiaal en methode".
  • Bij "Literatuur" geef je op welke bronnen je geraadpleegd hebt. Dat kunnen boeken en internet zijn, maar ook mensen die je gesproken hebt.

NB Lieveheersbeestjes met veel stippen behoren tot een andere soort, het heeft niets met leeftijd te maken.

 

Opdracht 1 Vraagstelling en Hypothese
Bedenk een zo compleet mogelijke vraagstelling bij dit oogknipreflex experiment (je hebt de werkwijze doorgelezen?).
Schrijf ook op wat jij denkt dat er uit het onderzoek komt (je hypothese!).
Vraagstelling:




Hypothese:




Voer hierna het oogknipreflex experiment uit volgens de gegeven "Materiaal en werkwijze".
Verwerk de resultaten volgens de aanwijzingen hierboven.

Opdracht 2 Resultaten

Uitleg:
Bij de presentatie van de resultaten vermeld je zonder verdere verklaringen alle uitkomsten van de door jou uitgevoerde proeven (zoals vermeld in de werkwijze).
Meestal geef je getallenreeksen in een grafiek weer. Uit een grafiek moet je snel iets kunnen aflezen. Omdat grafieken nooit zomaar te begrijpen zijn, schrijf je er altijd een onder- of bijschrift bij. Hierin staat wat de grafiek voorstelt. Bijvoorbeeld wat er op de x-as is uitgezet en wat op de y-as en welke relatie wordt weergegeven.
Daarmee ben je er nog niet; wat je in de grafiek ziet (kunt zien), moet je ook in het verslag beschrijven (zonder getallen) met een verwijzing naar de grafiek.
Opdracht 2a
Zet bij de assen van de grafiek (staafdiagram) wat ze voorstellen.
Zet bij de grafiek een kort onderschrift. Uit het onderschrift moet blijken hoe je deze grafiek moet "lezen" en wat de grafiek voorstelt.
Opdracht 2b
Beschrijf de resultaten zonder getallen en verwijs naar de grafiek:




Opdracht 3 Conclusie
In je conclusie interpreteer je de resultaten. Deze conclusie moet uit de resultaten volgen en je mag niet teveel "fantasie" bevatten. Je probeert een antwoord te geven op de hypothese.
In dit practicum kun je bij de conclusie het volgende zeggen over je hypothese:

Opdracht 3a
Beschrijf of en hoe jouw hypothese (opdracht 1) klopte met de resultaten (opdracht 2):

Opdracht 4 Discussie
In de discussie beschrijf je onder andere wat er mis ging bij de uitvoering, of welke problemen er waren.
Ook beschrijf je jouw ideeën over het experiment.
Daarnaast verbind je de conclusie met gegevens uit de literatuur (in dit geval je leerboek, over klassieke en operante conditionering)

Opdracht 4a
Welke prikkel veroorzaakt de knipreflex in normale omstandigheden?



Opdracht 4b
Welke prikkel gebruik je in het experiment voor de knipreflex?



Opdracht 4c
Is er in het door jou uitgevoerde experiment nu sprake van klassieke conditionering of van operante conditionering? Leg dat uitvoerig uit.
(Zoek eventueel op wat deze begrippen betekenen.)

 



Je hebt nu een aantal stappen gedaan voor het verslag.
Een verslag schrijven is nodig om je resultaten voor iedereen openbaar te maken.
Daarbij moet iedereen die de proef uitvoert op dezelfde wijze als jij dat deed, dezelfde resultaten krijgen.